Monitoring tot 2035 moet effect natuurinclusieve landbouw aantonen

Sinds 2019 is Staatsbosbeheer met tientallen boerenbedrijven samenwerkingen aangegaan om hen te helpen overstappen op natuurinclusieve landbouw. Staatsbosbeheer hoopt daarmee de natuurkwaliteit van hun terreinen te verbeteren en bij te dragen aan de landbouwtransitie.
Anders dan voorheen gebruikelijk was bij Staatsbosbeheer, kunnen boeren die meedoen in deze samenwerking grote stukken grond pachten voor een langere periode. Dit zou hen voldoende bewegingsruimte en zekerheid moeten geven om door te kunnen pakken richting natuurinclusieve landbouw.
Bedrijfsplan
Ieder deelnemend bedrijf maakt een bedrijfsplan met natuurinclusieve aanpassingen op het bedrijf, bijvoorbeeld in de vorm van extensivering of de aanleg van landschapselementen op de eigen grond. Staatsbosbeheer wil immers dat de natuurkwaliteit niet alleen in de eigen terreinen verbetert, maar ook op het boerenland.
Onder de eerste deelnemers waren veel biologische en (vergevorderd) natuurinclusieve boeren. Dat was een veilige keuze voor Staatsbosbeheer ten aanzien van het beheer van hun terreinen. Om bij te dragen aan de landbouwtransitie, kregen later ook gangbare boeren de kans om mee te doen.
Samenwerkingspartners
LVVN maakt ook deel uit van deze samenwerking en zorgt voor financiering van organisatiekosten en monitoring. In het begin werd gestreefd naar veertig deelnemende bedrijven. In 2023 is de ambitie verhoogd tot tachtig bedrijven. In 2025 is de opdracht van LVVN aan Staatsbosbeheer verlengd tot en met 2027, met een ambitie van vijftien extra samenwerkingspartners per jaar. Deze vorm van samenwerking wordt steeds meer onderdeel van de manier van werken van Staatsbosbeheer.
Monitoring
LVVN en Staatsbosbeheer willen graag weten wat deze aanpak oplevert. Daarom is Wageningen Environmental Research door het Ministerie van LVVN gevraagd om een deel van de bedrijven te monitoren, in samenwerking met Wageningen Livestock Research en het Louis Bolk Instituut.
Deze langjarige, interdisciplinaire monitoring levert veel gedetailleerde kennis op over de betrokken bedrijven, de complexiteit van hun systeem en de ontwikkeling die zij doormaken. Dit is leerzaam voor betrokkenen, maar ook voor andere landbouwbedrijven, verpachters en beleidsmakers.
Dertien melkveehouders
Inmiddels is er bij zeventien bedrijven verspreid over het hele land een nulmeting gedaan. Hiervan is een bedrijf inmiddels gestopt. Van de gemonitorde bedrijven zijn dertien melkveehouder (soms ook met vleesvee), drie vleesveehouder en een melkgeitenhouder. Zes bedrijven doen aan ook aan akkerbouw, waarvan één bedrijf de akkerbouw als hoofdtak heeft. Meestal staat de akkerbouw ten dienste van de veehouderij. Van de zeventien bedrijven hebben negen een vorm van verbreding (zorg, loonwerk) en/of een korte keten. Zes bedrijven zijn gecertificeerd biologisch. De omvang van de bedrijven varieert van 29 tot 277 hectare.
Voor de nulmeting zijn allerlei gegevens in kaart gebracht betreffende grond en grondgebruik, bodem, aantallen vee, melkproductie, intensiteit en bedrijfseconomie. Daarnaast zijn er op de bedrijven tellingen gedaan op de aanwezigheid van allerlei soorten insecten, vogels en kruiden. De resultaten van de nulmeting zijn weergegevenin dit rapport.
Intensief gevolgd
De komende jaren worden de bedrijven intensief gevolgd. Dit moet waardevolle inzichten opleveren in het functioneren van natuurinclusieve landbouw, de complexiteit van bedrijfsprocessen, de interactie tussen landbouw en natuur, de samenwerking tussen TBO’s en boeren, en de economie van natuurinclusieve bedrijven. ‘Juist de combinatie van agronomie, ecologie en economie in de praktijk van concrete bedrijven draagt bij aan begrip van de complexiteit, maar ook waar kansen liggen, en wat nodig is in samenwerking en beleid’, aldus Wageningen Environmental Research.

Tekst: Gineke Mons
Gineke Mons (1970) groeide op op een biologisch melkveebedrijf in Gelderland. Vanaf begin jaren 90 is ze werkzaam in de landbouwjournalistiek. Sinds 2008 als freelancer, met het accent op veehouderij en diergezondheid.
Beeld: Agrio
Bron: Wageningen Environmental Research



